Het Nieuwe Verbond en de inhoud ervan.
Auteur: Elle

Er wordt gesproken over het nieuwe verbond. De inhoud daarvan is dat men, als men in dat verbond wordt/is opgenomen, Gods wet in hun binnenste krijgt en in hun hart wordt geschreven. God zal hun tot een God zijn en zij zullen God tot een volk zijn. Het gevolg is dat men elkaar niet meer hoeft te leren om God te kennen, want alle deelhebbers zullen God kennen, van de geringste tot de grootste onder hen, want God zal hen hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken (Jer. 31:33-35).

Als iemand dus NIET een deelhebber is/wenst te zijn van dit verbond wat met het vlees en het bloed van Jezus Christus is bekrachtigd, heeft hij dan WÉL recht op wat het verbond belooft te zijn en te doen?

Door de symbolen van het vlees/lichaam en het bloed van Christus, het vlees/lichaam en het bloed die het verbond van kracht hebben gemaakt, te weigeren, weigert men ook het verbond zelf en ook wat het verbond belooft! Men heeft dan geen deel aan de verbondsbeloften.

Dat het Besturende Lichaam van Jehovah’s Getuigen dit probleem heeft "opgelost" door te verklaren dat Jezus aan degenen die niet in dat nieuwe verbond deelhebben, de voordelen van dat verbond geeft ZONDER deelhebber te zijn aan dat verbond, maakt het deelhebber zijn van dat verbond tot een farce/schijnvertoning. Dan kan Jezus dat nl. ook aan de deelhebbers geven zonder dat ze van de symbolen gebruiken. Het gebruik van de symbolen heeft dus zeer wel een doel.

De leiders van de JG, het Besturende Lichaam, hebben een andere inhoud gegeven aan het nieuwe verbond, nl. dat je dan naar de hemel gaat en dat er maar 144.000 leden zijn (net als met het Abrahamitisch verbond overigens). Maar dat staat nergens in het verbond vermeld (Jer. 31:33-35; Hebr. 8 en 10).

Uit Gal. 4:21-31, maar speciaal vers 27 (een aanhaling uit Jes. 54:1) blijkt dat de kinderen/deelhebbers van het Abrahamitisch verbond/nieuwe verbond talrijker zijn dan de kinderen/deelhebbers van het Mozaďsch verbond met Israël op Sinai. Hoeveel kinderen/deelhebbers had het Mozaďsche wetsverbond? Miljoenen! Nu, heel merkwaardig, Paulus zegt dat het Abrahamitisch verbond of nieuwe verbond talrijker kinderen/deelhebbers heeft dan het Wetsverbond!

Ergo, daarmee is de hele uitleg van/over 144.000 onjuist!

Inderdaad laten ze de tekenen of symbolen van het lichaam en bloed van Jezus letterlijk aan hun neus voorbijgaan.

Dit terwijl er in Joh. 6:53-57 staat: "Jezus zei tot hen (de Joden): Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongste dage. Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft im Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij."

In vers 53 staan 'eet' en 'drinkt' in de aoristus, zodat ze slaan op een feit dat eenmaal plaatsvindt; in vers 54 en 56-58 staan ze in het praesens, zodat ze daar slaan op gebeurtenissen die nog steeds voortduren.

Men komt eenmaal tot geloof, en dat geloof duurt voort, ook in het eten en drinken in symbolische zin van Jezus' lichaam/vlees en bloed door van de tekenen of symbolen te gebruiken.

Door de bijbeluitleg van de voorlopers van het huidige Besturende Lichaam, de "presidenten" van het WTB&TS en het huidige Besturende Lichaam wordt de doorsnee JG wijsgemaakt dat het gebruiken van de symbolen te maken heeft met een positie in de hemel als koninklijke priester. Het heeft echter niets met een bestemming te maken, maar met een herdenking van de dood van Jezus. Door er van te eten en te drinken maakt men duidelijk aan God, Jezus en de naaste gelovige dat men het werkelijk gelooft. Van het algemene (het algemeen herdenken van de dood van Jezus door er, door ervan te eten en te drinken, aan deel te hebben) hebben zij iets speciaals gemaakt voor een elite-klasse van koninklijke priesters, dit terwijl o.a. Petrus zegt dat alle gelovigen samen een koninklijk priesterschap vormen (1 Pet. 2:1-10).